|
|
 |
toespraak Rerum Novarum 2010 |
Beste vrienden en vriendinnen,
Wat een geluk dat we elkaar nog mogen aanspreken met ‘vrienden en vriendinnen’. Dit duidt meteen op iets dat ons bindt. En waar mensen zich verbonden voelen, daar groeit vertrouwen. Het vertrouwen bij de mensen is wellicht de laatste tijd al te zeer geschokt geweest, denk maar aan de perikelen in de politiek en de Kerk. Maar in de kracht van de beweging schuilt steeds het vermogen om van een crisismoment een moment van bezinning te maken, nadenken hoe het beter en anders kan.
Het is natuurlijk wat veel geweest de laatste tijd. Wie het niet dagdagelijks volgt, is ergens onderweg afgehaakt, en als er dan nog een economische klap bovenop komt, dan is er niet veel begrip meer voor mensen die al te veel tijd in structuren steken. En toch is het nodig. Toch moeten wij de structuren blijvend in vraag stellen, anders kunnen ze niet inspelen op moderne trends. En het ergste verwijt dat we vandaag zouden kunnen krijgen is irrelevant te zijn, niet meer mee te zijn. Rerum Novarum betekent ‘met nieuwe dingen bezig zijn’. In die zin is dit een oproep om steeds beter te doen. Maar op een bepaald moment moet men kijken of de machines wel nog te repareren valt. Ik denk daarbij concreet aan de economische machine of de politieke machine. Op beide wil ik iets dieper ingaan.
Laten we beginnen met de economie, het is onze taak om daar als beleidsverantwoordelijken mee bezig te zijn. Want: geen welzijn zonder welvaart. Geen sociale zekerheid zonder stevige fundamenten. Maar hoe kunnen we daar de zaken zinvol beïnvloeden. Wat is met andere woorden de macht om de zaken te hervormen. We zien dat een tikfout door iemand die bij de Beurs werkt, meteen een wereldwijde ontwrichting van de cijfers veroorzaakt en dat dit dus zware economische gevolgen heeft. In de economie is alles gebaseerd op vertrouwen. Wanneer het vertrouwen wordt aangetast, kelderen de beurscijfers en stokken de investeringen. Wanneer men met grote waarborgen en injecties over de brug komt, dan reageren de beurzen zeer positief. Wat is nu zo oneerlijk aan dit mechanisme ? De achteruitgang wordt in grote mate bepaald door de speculanten die er letterlijk een echt ‘geldspel’ van maken, men gokt en rekent zonder enig gevoel voor maatschappelijke verantwoordelijkheid. Integendeel, de grootste cowboys vangen de grootste bonussen. Maar als het fout gaat, dan klopt men aan een andere deur, aan uw en mijn deur, de deur van de belastingsbetaler. Via de overheid worden dan grote inspanningen gedaan. Soms zegt men wel een beetje plat: ja, voor de banken hebben ze wel geld en niet voor de kansarmen. Dit is natuurlijk maar een halve waarheid. Immers, de overheden snellen de banken te hulp met leningen en waarborgen. Dit moet om de economie en de spaarcenten van ons allen veilig te stellen. Alleen als het echt superslecht gaat, dreigen we meegezogen te worden in een niet te overziene chaos. 0pdat het niet zover zou komen, moeten we dus bondgenoot zijn van de economische instellingen. Maar dit vraagt een faire relatie. En daar komt dan de opdracht van de politiek: hoe kunnen we zorgen dat ook de financiële wereld het spel fair speelt. Alleszins niet door te rekenen op hun spontane bijdragen, want het is nogal choquerend om te zien hoe amper een jaar na de grootse reddingsoperaties de banken alweer woekerwinsten maken en de bonussen hoger zijn dan ooit tevoren. Daarom moeten er structurele ingrepen gebeuren. In het parlement hebben wij daarom ontwerpen rond deugdelijk bestuur en financiële controle gestemd. Op Belgisch niveau hebben we in dit verband zeer goed werk geleverd, maar de kapitaalmarkt is een wereldwijde markt. Daarom moeten we het discours van solidariteit en verantwoordelijkheid blijvend bepleiten op de internationale fora: de EU, het Internationaal Muntfonds, de Wereldbank en de Verenigde Naties. In heel dit verhaal mogen we het belang van het thema ‘eerlijke handel’ niet onderschatten. Het is mijn diepe overtuiging dat we onszelf hier meer kansen geven als we de mensen elders in de wereld ook meer kansen geven. Zo winnen we twee keer: de mensen aldaar winnen aan koopkracht en zo kunnen ze ook een markt vormen voor onze economie en de jobcompetitite wordt eerlijker, men vermijdt sociale dumping en dus scheefgetrokken loonschalen. Nu is het al te gemakkelijk om het werk te laten doen voor de fractie van de prijs van bij ons. China wordt te duur, dan trekt men naar India of naar Bangladesh, dit is steeds onrecht aandoen aan nieuwe groepen mensen. Het is goed dat de beweging met de actie Schone Kleren van dit thema een punt heeft gemaakt. Maar het gaat verder dan de kleren, ook het speelgoed en andere artikelen worden onder bedenkelijke voorwaarden geproduceerd. Hoe kunnen we dit oplossen ? Ik heb de afgelopen maanden gewerkt aan een concrete aanpak voor dergelijke problemen door van de sociale voorwaarden een essentieel punt te maken in de handelsakkoorden. De politiek en het parlement kan in deze veel meer doen dan tot nu toe het geval was. Het is een kwestie om vooraleer een handelsakkoord wordt gesloten tussen de Europese Unie en een ander land of tussen België en een ander land de puntjes op de i te zetten. Dit vraagt een strakkere parlementaire controle en meer dialoog met de ministers die voor de onderhandelingen verantwoordelijk zijn. Ieder akkoord moet finaal naar het parlement. Meestal wordt daar niet veel discussie aan besteed. Maar zoals voor ieder dossier, betekent het middenveld en de sociale beweging heel veel in dergelijke zaken. Ik denk hierbij natuurlijk aan de acties rond ‘Waardig Werk’. Ja, de acties van het ACW rond de mensen- en arbeidsrechten in Colombia hebben de politieke klasse wakker geschud. Wat is het probleem ? De vorige minister van Buitenlandse Zaken had een akkoord onderhandeld zonder de vermelding van sociale criteria, dankzij goede lobbying en een goede samenwerking onder enkele collega’s in de Kamer is dit akkoord niet door het parlement geraakt. Nu weet de regering zeer goed dat Waardig Werk absoluut een punt is, en dat men maar beter eerst te rade gaat bij de Internationale Arbeidsorganisatie voor dergelijke akkoorden worden gesloten.
Na de economische machine wil ik graag iets zeggen over die andere sputterende motor: die van de politiek. Daar ben ik natuurlijk rechter en partij, maar natuurlijk ook ervaringsdeskundige. De laatste legislatuur in het parlement, een korte, van drie jaar, was de meest vreemde periode in mijn loopbaan. De olie in de motor stond steeds te laag, en met die olie bedoel ik het broodnodige vertrouwen. Met goede wil kan men veel doen, maar men moet politiek kunnen bedrijven, daarmee bedoel ik in staat zijn om tot een eerbaar compromis te komen. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan, en we dragen allemaal een stuk verantwoordelijkheid voor hetgeen niet gelukt is. Maar uit de fouten kunnen we leren. We moeten leren uit de fouten, want wat is het alternatief ? Willen we de revolutie uitroepen ? Ik dacht het niet. Of moeten we radicaal breken met Belgische structuren ? Evenmin, want de Belgische constructie is op enkele punten een meerwaarde, denken we –praktisch gesproken- aan onze export, maar er is ook een principiële reden: wij willen de solidariteit, zeg maar de sociale zekerheid, op een zo groot mogelijke schaal organiseren om het voor zoveel mogelijk mensen beter te maken. Maar er is geen solidariteit mogelijk zonder verantwoordelijkheid. Al te zeer voelen we ons tekort gedaan omdat sommigen blijkbaar onbezorgd de financiële teugels laten vieren. Dit is bijzonder jammer, zo wordt het steeds moeilijker om de boodschap van solidariteit uit te dragen, en toch blijft dit onze roeping als mandataris van het ACW. Verantwoordelijkheid voor lokale of regionale problemen wordt in onze visie ook best zo dicht mogelijk bij de mensen behandeld. Daarom vinden wij het waanzinnig dat wij die staatshervorming zo slecht kunnen verkopen aan onze Waalse vrienden. Waarom is men zo bang van extra bevoegdheden ? Ze kunnen toelaten om oplossingen op maat aan te reiken. Men kan toch niet al ziende blind zijn en niet erkennen dat het vraagstuk van de jongerenwerkloosheid of de zorg zich anders voordoet in beide landsgedeelten.
Het zit waarschijnlijk dieper: men vertrouwt de Vlaming niet meer. Men is al te zeer opgezweept door partijen die boodschap van solidariteit niet in de genen hebben. En dan is het zo gemakkelijk om mensen te herleiden tot een karikatuur. De Vlaamse politici worden dan algauw ‘de separatisten’, ‘de gevaarlijken’. Als ‘de Vlamingen’ de bijklank krijgen van de asociale, dan zijn we ver van huis. Maar het is natuurlijk een gemakkelijke houding om zo te reageren. Zo hoeft men aan de kiezers niet te veel uit te leggen. De boodschap die wij willen uitstralen is er een van verantwoordelijkheid. Is er één van zich niet op te sluiten in een onverzettelijke houding.
En waarom vinden wij die staatshervorming nog zo belangrijk ? Niet omdat we geloven in éénrichtingsverkeer, niet omdat we denken dat méér Vlaanderen per definitie beter is. Wel om zuiniger met het belastingsgeld om te gaan en om rapper op de problemen in te spelen. Want wie heet het niet helemaal gehad met die vertragingsmanoeuvres, die contraproductieve politiek, die houding van blokkeren en saboteren en het misbruiken van alle mogelijke reglementen en wetten. Dit moet anders. Want de werkloosheid stijgt nog iedere dag. Het aantal armen neemt zienderogen toe.
Maar er zijn de laatste jaren ook heel veel lichtpunten: we mogen ook eens stil staan bij enkele realisaties want we zijn hier onder elkaar om het uit te leggen, om te verantwoorden wat wij met ons mandaat van de kiezer en de beweging hebben gedaan, en dit in economisch zeer zware tijden en steeds met een budgettaire krapte.
In de voorbije drie jaar werd er stevig geïnvesteerd in pensioenen. De regering maakte 666 miljoen euro extra vrij voor de pensioenen van de werknemers.
Dat betekent onder meer dat het minimumpensioen van een werknemer met 8 procent steeg (boven de inflatie wel te verstaan). Zo ontvangt een gezin dat in 2007 1.104 euro per maand kreeg vandaag 1.256 euro per maand.
De pensioenen die hoger zijn dan het minimumpensioen stegen eveneens. Per 1 juni 2009 groeiden ze aan met 1,5 procent. Op dezelfde datum werden de ‘oudste’ pensioenen, dat wil zeggen deze van mensen die vóór 1994 met pensioen gingen, opgetrokken met 2 procent.
Ook het plafond van wat een zelfstandige bovenop zijn pensioen mag bijverdienen, werd hoger gelegd: hij mag nu voor een kwart meer bijklussen (tot 20.859,97 euro netto beroepsinkomen).
De minimumuitkering voor invaliden steeg met 8 procent boven de inflatie. Zo ontvangt een alleenstaande invalide die in 2007 slechts 884 euro per maand kreeg vandaag 1.005 euro.
Vanaf dit jaar ontvangen personen met vijf of meer jaar invaliditeit een jaarlijks extra van 75 euro (elk jaar uit te betalen in mei). Dit is het begin van vakantiegeld voor invaliden. Het uitkeringspercentage voor zieke samenwonenden (eerste twaalf maanden van de arbeidsongeschiktheid) steeg van 55 naar 60 procent van het laatst verdiende loon.
Het leefloon werd tweemaal met twee procent opgetrokken, voor een totaal bedrag van 29 miljoen euro extra. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat een alleenstaande die in 2007 een maandelijks leefloon van 644,48 euro ontving, nu 725,79 euro krijgt.
Ik zou hier nog heel wat realisaties kunnen oplijsten, maar ik wil u ook niet overspoelen met cijfers en het zou ons ook te ver leiden. Maar ik wou enkel illustreren dat er een serieuse opvolging geweest is van de rechtvaardigheidsagenda waar we in 2007 hebben mee uitgepakt en waardoor vele mensen voor ons hebben gekozen.
U ziet dat het belangrijk is dat er een regering is, wat soms spreekt men smalend in de zin van: “ja, zonder regering gaat het toch ook”. Ja, misschien wel heel eventjes. Maar het zou toch niet te lang mogen duren. Gelukkig maar dat de regering klaarstond om de spaarders en het personeel van de banken bij te staan in 2008.
Maar nu moeten we meer dan ooit vooruit, we willen de toekomst op lange termijn voorbereiden. We moeten van het Europese peloton naar de top. En we hebben daarvoor vele troeven: goed geschoolde jongeren en een goede infrastructuur. Aan de zwaktes, de vrij korte carrières, moeten we blijven werken. Dit kan zeker als we de mensen een mooi perspectief van een gegarandeerd pensioen kunnen bieden, en men zal dat vanaf 65 kunnen opnemen.
De beweging heeft de laatste jaren goed ingespeeld op het duurzaamheidsvraagstuk. Men heeft slimme oplossingen aangereikt zodat iedereen zijn huis zou kunnen isoleren met gegarandeerd rendement. Mensen de middelen aanreiken om te kunnen investeren is de goede weg. Zomaar subsidies geven heeft te veel weg van een gratis-politiek die niet onze politiek kan zijn. Ik geef even het voorbeeld van de zonnepanelen. Doordat zoveel mensen zelf producenten worden van zonne-energie, moet het elektriciteitsnet worden aangepast. Dit vergt enorme investeringen. Die investeringen zullen gedragen worden door alle gebruikers, dus zullen de prijzen gevoelig stijgen. En de mensen met zonnepanelen zullen minder bijdragen – Eandis – mag compenseren - . Duurzaamheid moet rijmen met sociale evoluties. Vandaar dat de overheid hier sterker corrigerend zal moeten werken.
Eigenlijk draait politiek vooral om de beste keuzes te maken met het geld van de mensen, met oog voor de beste prijs/kwaliteitsverhouding. En hoe meer geld, hoe meer we kunnen doen, maar de mensen betalen zo veel. En dragen de sterkste schouders wel de zwaarste lasten ? Rechtvaardige fiscaliteit !
Dames en Heren, beste vrienden, het is een hele klus om dit land voor te bereiden voor de toekomst, om het voor onze kinderen mooier, beter en aangenamer te maken. Ik ben u dankbaar dat u in ons het vertrouwen stelt om deze fantastische opdracht tot een goed einde te brengen.
Nog een heel aangename Rerum Novarum ! En tot binnenkort,
Roel Deseyn
CD&V-Kamerlid
|
|
|